De kleefsteen

In 1622 werd door Johan Halbach, kruisheer te Maaseik en pastoor te Heppeneert, een verhaal opgeschreven dat zijn confrater broeder Johan Hammerslag (nog in leven) had meegemaakt toen hij omtrent het jaar 1596, met Pasen, in de kerk van Aldeneik ging helpen.

Onder het volk bevond zich een vrouw die zo hard weende dat de broeder haar vroeg of ze nog zonden te biechten had. Daarop antwoordde zij dat ze zich gedroeg gelijk ieder christen mens maar dat de anderen haar voor een tovenares aanzagen.

Om haar onschuld te bewijzen, de geruchten te toen ophouden en haar onschuld uit te roepen stelde de broeder voor om de Heilige Communie te ontvangen: “want het is onmogelijk dat de duivel en God in eenzelfde vat (lichaam) zouden ingaan.”

De broeder gaf haar de Heilige Communie in de mond en hield die dicht om te verhinderen dat zij met haar handen aan haar mond zou raken en wel zolang totdat hij dacht dat zij de H. Hostie had genuttigd.

Maar God wilde niet dat deze verkeerde vrouw onschuldig werd verklaard. Toen zij opstond, om naar gewoonte de mond te spoelen, viel de H. Hostie die zij niet waardig was uit haar mond.

De vrouw van de koster merkte dit als eerste op en wilde zelf de hostie oprapen, maar haar duim en vingers gingen in de steen.

Met een zuivere doek werd de hostie opgeraapt maar de merktekens bleven achter in de vloer en zijn heden ten dage nog steeds te zien (ingemetseld in de zuidelijke zijmuur van de kerk).

Na dit voorval zou de gemelde tovenares te Maaseik veroordeeld worden tot de vuurdood.