Het kaarsenwonder

’t Was ook de edelmoedigst gevende liefde die Harlindis tot zelfpijniging aanzette. Eén was er die de abdis op haar boeteweg gadesloeg en knarsetandde. Wel een bewijs dat haar offers God aangenaam waren en den duivel een streep door z’n rekening trokken. Op kinderachtige wijze poogde hij zich te wreken.

 

Een nacht, eene stille, windelooze, dat Harlindis de Metten vóórzat in het koor, gingen eensklaps de twee korte kaarsen uit die de boeken met de lessen beschenen. De zuster die voorlas hield op, allen schrokken. Maar in de duisternis sprak de abdis met rustige stem: “Stil bidden, wachten!”

 

Eensklaps gingen de kaarsen weer aan: een engel ontstak wat de vijand had uitgeblazen. ’s Anderendaags stonden nieuwe kaarsen in de kandelaars; zuster Sakristinne had de mirakuleuze zorgvuldig weggeborgen.