Het miraculeus gevulde wijnvat

Laat in den namiddag, de monniken van Suestra waren reeds terug de Maas over, deed een krachtige ruk aan de poortbel de gezellig vergaderde zusters opschrikken. Samen met den neomyst en zijn ouders, zaten ze in den feestelijk versierden refter toen de portierster, gejaagd en buiten adem, vader Willebrord en Moeder Abdis berichtte: “Bisschop Bonifacius is daar met een tiental gezellen! Ze komen uit het Noorden, hebben een flink eind te voet afgelegd in de namiddaghitte, verlangen eerst en vooral zich wat af te spoelen, hun voeten te wasschen, en ze sterven van dorst!

Heer Adelard bood zich terstond aan om het gezelschap in het gastenkwartier van het noodige te voorzien. Vader Willebrord spoedde weg om zijn vriend en voormalig medewerker welkom te heeten. Vrouwe Grinnan en Harlindis begaven zich naar de keuken, de eerste om wijn te gaan tappen, waarvan men altijd een ton in voorraad had voor de heilige Mis, de zieken, en voorname gasten; de tweede om met zuster kokin schikkingen te treffen voor het avondeten. Daar ziet ze haar moeder met ontsteld gelaat uit den kelder opduiken. “Dochter, zegt ze, wat nu begonnen? Vader moet niet alleen de heeren uit Suestra, maar ook al onze verwanten hebben getrakteerd: het vat is ongeveer ledig!” Wie schrok was moeder Abdis!

Wat moesten de bisschop en zijn gevolg wel denken van de gastvrijheid te Eike, indien men ze na een lange, lastige reis, en bij een feestelijke gelegenheid, slechts water vóórzette! “Blijf even wachten moeder, ik ga eens kijken.” Harlindis deed het schommelvat op zijn stoel: er was slechts een zeer zwak geklots merkbaar. Ze valt op haar knieën en bidt, staat op en teekent een kruis over het luft. “Kom maar, moeder, roept ze aan den trap, er zal nog wel genoeg zijn.” Als vrouwe Grinnan beneden is, ziet ze den wijn uit het spongat borrelen. Harlindis beziet haar met een verlegen glimlach, en legt een vinger op de lippen.
In het gastenkwartier verwonderen zich de reizigers erover, dat men te Eike, zoo ver afgelegen in ’t Noorden, zulk een goudgetinten, pittigen Franschen wijn kan schenken. In deze streken immers perst men enkel een tamelijk zuur wijntje uit de druiven gekweekt op de zonnzijde van de Maasheuvels bij Trajectum, en bij Legia. Vrouwe Relindis schertst: “Waarschijnlijk hebben we dezen keer een bijzonder goeden leverancier aangesproken!”

Bron: Harlindis en Relindis van Aldeneik, Hilarion Thans o.f.m. (De Kinkhoren, Brugge, Brussel, 1945)