Het rozenwonder

Harlindis en Relindis ijverden voor den innerlijken optooi van de kerk. In ’t groote schip werd ze geplaveid met uitgezochte platte steenen in een soort ciment gevat; maar in sanctuarium en koor wilden de gezusters een mozaïek met rozen en ruiten en
doorvlochten boorden. Dat legwerk wilden zijzelve vervaardigen en zoo mogelijk, slechts na voltooiing aan haar ouders laten zien.

 

Op tijden dat Adelard afwezig was, spoedden ze zich met de aspirantjes langs den Groenen weg – zoals het breeder pad heette dat welig met gras begroeid, noordwaarts naar den Maaskronkel liep. In het ondiepe water van de driften en op de blootgekomen kiezelplaten raapten ze elk een schoot vol kleurige keitjes.

 

Oude lieden wisten later te vertellen dat Heer Adelard, z’n dochters ontmoette juist aan het vlondertje over den smallen bronvliet.
Verwonderd ze zoo geladen te zien, had hij gevraagd wat ze wel mochten dragen. “Rozen!“ had de speelsche Relindis gezegd, doelend op de bloemen die met de steentjes zouden geteekend worden – en ook onder vaders gestrekten arm door. Harlindis liet eenvoudig zien wat ze in ’t opgenomen bovenkleed torste. O wonder! heer Adelard zag inderdaad niets dan glanzende, geurige rozen.

 

“En tot dit voorval noemen we die plaats: het Leugenbrugske.”